ESB home
Bericht versturen
Plattegrond van de site


Naar NEI homepage

Redactioneel + persberichten Agenda voor economen Uw reactie op ESB Uitleg van economische begrippen Interessante sites




Het onderwerp van deze : Loondifferentiatie

Loonverschillen tussen bedrijfstakken
Webiste 8-10-1999
Door: Jouke van Dijk



Wilt u een bijdrage leveren, neem dan contact op met de redactie: 010-4538738, of stuur een korte reactie naar redactie-esb@nei.nl o.v.v. bijdrage website en het discussieonderwerp.




Onderwerp: Loondifferentiatie
Loonverschillen tussen bedrijfstakken
Webiste 8-10-1999
Door: Jouke van Dijk, universitair hoofddocent economische geografie, Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen.
Een reactie op: Loonverschillen tussen bedrijfstakken
ESB 25-6-1999, pag. 492
Door: H.P. van der Wiel

-Noot van de redactie

In ESB van 25 juni 1999 verscheen een artikel van CPB-medewerker Henry van der Wiel over loonverschillen tussen bedrijfstakken. Van der Wiel betoogt dat deze loonverschillen in Nederland van oudsher beperkt waren en sinds het Akkoord van Wassenaar ook zijn gebleven. Volgens de Groningse econoom Van Dijk valt van het onderzoek van Van der Wiel weinig over de loonontwikkeling op de arbeidsmarkt te leren.


- Loonverschillen tussen bedrijfstakken

In ESB van 25 juni 1999 probeert Henry van der Wiel loonverschillen tussen bedrijfstakken te relateren aan de werking van de arbeidsmarkt. Zowel vanuit de wetenschap als vanuit het beleid is dit een belangwekkend onderwerp. In de inleiding, die gebaseerd is op de neo-klassieke gedachtengang, wordt gesteld dat loondifferentiatie in principe een smeermiddel is voor de arbeidsmarkt dat een bijdrage kan leveren aan het verminderen van knelpunten op de arbeidsmarkt. Als lonen in bedrijfstakken met knelpunten sneller stijgen dan in bedrijfstakken zonder knelpunten is dit een prikkel voor werknemers om van bedrijfstak te veranderen. Om zicht te krijgen op de mate waarin dit in Nederland de afgelopen 25 jaar is gebeurd, wordt in het artikel nagegaan in hoeverre er sprake is van loondifferentiatie tussen bedrijfstakken. Volgens mij is de door Van der Wiel gevolgde benadering weinig vruchtbaar om zicht te krijgen op de mate waarin loonverschillen tussen bedrijfstakken de werking van de arbeidsmarkt beïnvloeden. Daarnaast is Van der Wiel erg onduidelijk over de gevolgde berekeningswijze en wordt geen aandacht besteed aan elkaar tegensprekende resultaten.

Mijn kritiek betreft de volgende punten:

  1. Allereerst hoeft een toename van de loondifferentiatie niet noodzakelijkerwijs samen te gaan met een betere smering van de arbeidsmarkt. Stel in een bedrijfstak wordt relatief weinig betaald en daardoor is moeilijk aan geschikt personeel te komen. Als in deze bedrijfstak de lonen worden verhoogd en het gemiddelde loon in die bedrijfstak dichter bij het totaal gemiddelde komt zal de loondifferentiatie gemeten met de variatiecoëfficiënt afnemen, terwijl er wel de juist prikkel wordt uitgedeeld om mensen naar die bedrijfstak toe te krijgen. Een voorbeeld: volgens Van der Wiel is in de overige tertiaire dienstverlening krapte aan personeel. Als het loon van f. 56.400 in 1995 zou stijgen tot het gemiddelde loon van alle bedrijfstakken van f. 69.400 zullen de loonverschillen (de variatiecoëfficiënt) tussen de bedrijfstakken kleiner worden. Als hetzelfde probleem zit voordoet in de metaal- en optische industrie en daar het loon gaat stijgen stijgt de variatiecoëfficiënt. De richting van de verandering van de variatiecoëfficiënt zegt dus niets over een verbetering van de werking van de arbeidsmarkt.

    Meer in het algemeen kan men zich afvragen of grotere loonverschillen de werking van de arbeidsmarkt meer marktconform maken. Als loonverschillen tussen bedrijfstakken worden veroorzaakt door bedrijfstakgebonden machtsposities kan dit leiden tot een inefficiënte allocatie van arbeid: bedrijfstakken die door machtsposities te hoge lonen betalen zullen te weinig mensen in dienst nemen, de bedrijfstakken die te lage lonen betalen te veel (zie Hartog, van Opstal en Teulings (ESB, 8 juni 1994, blz. 533).

  2. Voor zijn analyse maakt Van der Wiel gebruik van gemiddelde loonvoeten per bedrijfstak zonder te corrigeren voor verschillen in samenstelling van de werkgelegenheid naar bijvoorbeeld opleidingsniveau en leeftijd (structuureffect). Aan de mate waarin samenstellingseffecten de loonverschillen kunnen verklaren wordt nauwelijks aandacht besteed. Er wordt terecht geconstateerd dat samenstellingseffecten niet alle verschillen kunnen verklaren, maar in hoeverre daardoor de hier uitgevoerde analyse wordt beïnvloed wordt in het midden gelaten. Dat samenstellingseffecten erg belangrijk kunnen zijn blijkt uit het volgende voorbeeld.

    Uit tabel 1 blijkt dat het loon in de delfstoffenwinning in 1990 60% hoger ligt dan het gemiddelde loonniveau. Uit Hartog, van Opstal en Teulings (ESB, 8 juni 1994, tabel 1 laatste kolom) blijkt dat als wel voor samenstellingseffecten wordt gecontroleerd het loon in de delfstoffenwinning in 1989 slechts 14% hoger is dan gemiddeld. Hieruit blijkt dat samenstellingseffecten een belangrijke verklaring kunnen vormen voor loonverschillen tussen bedrijfstakken. Als een relatief grote stijging in de beloning van een bepaalde sector verklaard kan worden uit bijvoorbeeld een toename van het aantal hoger opgeleiden of een vermindering van het aantal lager opgeleiden kan de beloningsverhouding per functie/opleiding tussen bedrijfstakken gelijk zijn gebleven. Een verandering van de loondifferentiatie zegt dan niets over prikkels voor mensen om van bedrijfstak te veranderen. Bij de interpretatie van de resultaten besteedt Van der Wiel wel enige aandacht aan structuureffecten, maar gebruikt die niet om zijn uitkomsten voor loondifferentiatie voor de werking van de arbeidsmarkt te relativeren.

  3. Als maatstaf voor de vergelijking van de loonverschillen in de tijd wordt de variatiecoëfficiënt genomen. Onduidelijk is hoe deze variatiecoëfficiënten in Tabel 1 zijn berekend. Als ik van de waarden in de tabel uit ga kom ik tot andere waarden, namelijk 0,33, 0,29 en 0,28 voor resp. 1970, 1990 en 1995. Een mogelijk verklaring zou kunnen zijn dat de in de tabel gepresenteerde variatiecoëfficiënten gebaseerd zijn op meer bedrijfstakken of dat er is gewogen. Voor een goed inzicht in de echte loondifferentiatie lijkt het mij noodzakelijk dat de gemiddelden per bedrijfstak gewogen worden, omdat het aantal werknemers per bedrijfstak sterk verschilt. Echter, uit het artikel is niet duidelijk hoe de berekeningen hebben plaatsgevonden terwijl dit de uitkomsten flink kan beïnvloeden. (zie ook punt 4.)

  4. In het artikel wordt ook gekeken naar het internationale perspectief. Opvallend is dat de variatiecoëfficiënten voor Nederland in Tabel 2 fors afwijken van die in Tabel 1. Het is mogelijk dat andere bedrijfstakken zijn gebruikt, maar hier wordt niks over gezegd in het artikel. Nog opvallender is dat op basis van Tabel 1 geconcludeerd wordt dat van 1970 tot 1990 de loondifferentiatie is afgenomen, terwijl uit Tabel 2 blijkt dat die is toegenomen!

    Aan dit toch wel opvallende verschil wordt in het artikel geen enkele aandacht besteed. De berekening van variatiecoëfficiënten is blijkbaar nogal gevoelig voor verschillende manieren van berekenen met verschillende definities van lonen en aantallen bedrijfstakken. Als de wijze van berekenen zo cruciaal is, moeten ook de uitkomsten met betrekking tot de internationale positie van Nederland met de nodige argwaan worden bekeken. In voetnoot 2 van Van der Wiel blijkt al dat de loondifferentiatie in Nederland waarschijnlijk wordt onderschat. Als voor de variatiecoëfficiënt voor Nederland in 1990 de waarde uit Tabel 1 wordt genomen zit Nederland al bij de middenmoot in Tabel 2. Als mijn eigen berekening van de variatie coëfficiënt voor 1990 (0,29, zie punt 3) wordt genomen, scoort Nederland al hoger dan de VS. Gezien het feit dat de VS elders (zie bijvoorbeeld het eerder aangehaalde artikel van Hartog c.s) wordt gekenmerkt als een land met grote loonverschillen tussen bedrijfstakken lijkt dit erg onwaarschijnlijk. Dit geldt eigenlijk ook voor de middenmootpositie die de VS innemen in Tabel 2. Een betere toelichting bij de resultaten lijkt dan ook gewenst.

  5. In de laatste kolom van Tabel 2 worden cijfers over de loonstructuur gepresenteerd. Uit tabel en tekst is niet helemaal duidelijk wat dit voor soort cijfer is, maar een rangcorrelatiecoëfficiënt voor 1970 en 1990 ligt het meest voor de hand. Als dit zo is zegt dit cijfer alleen iets in samenhang met de variatiecoëfficiënt. Als de laatste klein is, is er weinig verschil in loonniveau tussen de bedrijfstakken. Dan zullen kleine sectorale loonveranderingen al snel leiden tot een andere rangorde. Dit lijkt het geval te zijn voor Zweden. Een zeer stabiele loonstructuur (waarde > 0.95) blijkt zowel samen te kunnen gaan met weinig loondifferentiatie (Nederland), met een toename van de differentiatie (Duitsland) en met een afname van de loondifferentiatie (Frankrijk). Wat deze rangcorrelatie zegt over loondifferentiatie en de werking van de arbeidsmarkt wordt uit het artikel niet duidelijk.

Hiervoor heb ik aangegeven dat de analyse van bedrijfstakgegevens en het gebruik van variatiecoëfficiënten nogal wat bezwaren heeft en dat dit nogal wat invloed kan hebben op de uitkomsten zoals blijkt uit de in het artikel gepresenteerde tegenstrijdige cijfers. Daardoor valt uit de analyse van Van der Wiel eigenlijk niets te concluderen over het functioneren van de arbeidsmarkt en dat is niet in overeenstemming met de gewekte verwachtingen eerder in het artikel. Van der Wiel slaagt er niet in om duidelijk te maken welk inzicht zijn analyse geeft in de relatie tussen loondifferentiatie en de werking van arbeidsmarkt. Misschien is dat ook niet mogelijk met geaggregeerde data en moeten we voor echt harde conclusies wachten op een analyse op micro-niveau.



begin v/d pagina


ESB, Postbus 4224, 3006 AE Rotterdam, e-mail: redactie-esb@nei.nl

Gewijzigd op 8 oktober 1999